header image

Onze blog

Next Event

MANNA 798 MEDEDOGEN VOOR DE MINSTEN VAN DEZEN

MANNA 798 Mededogen voor de minsten van dezen

Christelijke organisaties roepen ons soms op om vrijgevig te zijn ten aanzien van de armen. Dat is een goede zaak. Maar volgens mij moeten we erop letten dat ons mededogen niet te veel mensen omvat en aan de andere kant niet te weinig: we kunnen Bijbelteksten te ruim of te beperkt uitleggen.

Hoe kan het te veel mensen omvatten? Veel christenen gebruiken de gelijkenis van Jezus in Mattheüs 25 als basis voor hun aanmaning om zich te ontfermen over de vertrapten in de samenleving. Als we Matth. 25: 37 – 40 goed lezen, staat daar echter (de woorden waarom het gaat zijn vet gedrukt):

“Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben we u hongerig gezien en te eten gegeven, en of dorstig en u te drinken gegeven? Wanneer hebben we u als vreemdeling gezien en opgenomen, u naakt gezien en gekleed? Wanneer hebben wij gezien dat u ziek was of in de gevangenis zat en zijn we naar u toe gekomen?” En de koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.”

 

Het is niet goed deze gelijkenis zo uit te leggen dat die betrekking heeft op al de armen in de wereld, zowel christenen als niet-christenen: dat is een te ruime interpretatie.  In het hele Nieuwe Testament slaat het begrip “broeders” (of “broeders en zusters” in de NBV, red.) op christenen. Daarnaast wordt het gebruikt om medejoden aan te duiden. Nergens in het Nieuwe Testament heb ik een tekst gevonden waarin dit woord op de mensheid in het algemeen slaat. Let ook op de volgende overwegingen:

 

In het evangelie van Mattheüs wordt in een eerder hoofdstuk uitgelegd wie de “broeders” van Jezus waren: “Iemand zie tegen hem: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten, ze willen u spreken’. Hij antwoordde: ‘Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers?’. Hij maakte een gebaar naar zijn leerlingen en zei: ‘Zij zijn mijn moeder en mijn broers. Want een ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet, is mijn broer en zuster en moeder’.” (Matth. 12: 47-50)

 

De apostel Paulus zei iets dergelijks over wat het betekent om kind van God te zijn en een broeder (of zuster, red.) van Jezus: “Allen die door de Geest van God worden geleid, zijn kinderen van God. U hebt de Geest niet ontvangen om als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn, en om hem te kunnen aanroepen met ‘Abba, Vader’…..Wie hij al van tevoren heeft uitgekozen, heeft hij er ook van tevoren toe bested om het evenbeeld te worden van zijn Zoon, die de eerstgeborene moest zijn van talloze broeders en zusters.” (Rom. 8: 14, 15, 29)

 

In heel wat Bijbelverzen staat dat we ons eerst moeten richten op de noden van onze medelovigen in de Heer en dan pas op die van de hele samenleving, zie bijvoorbeeld de volgende verzen: “Heb elkaar lief met de innige liefde van broeders en zusters en acht de ander hoger dan uzelf….. Bekommer u om de noden van de heiligen en wees gastvrij.”(Rom. 12: 10, 13). “Als een broeder of zuster nauwelijks kleren heeft en elke dag eten tekortkomt, en een van u zegt dan: ‘Het ga je goed! Kleed je warm en eet smakelijk! zonder de ander te voorzien van de eerste levensbehoeften – wat heeft dat voor zin? Zo is het ook met het geloof: als het zich niet daadwerkelijk bewijst, is het dood.”(Jac. 10: 15-17)

 

Zeg ik hiermee dat we de armen niet mogen bijstaan als ze niet net zoals wij in Jezus geloven? Natuurlijk niet. Ik zou zelfs zeggen dat we meer mededogen met hen moeten hebben, niet minder. Maar dan moeten we ons niet alleen richten op hun materiële noden, maar ook op hun geestelijke: ze hebben het evangelie nodig. Moeten we degenen die Jezus Christus niet kennen niet voedsel geven voor hun ziel, die eeuwig is, naast voedsel voor hun lichaam, dat immers slechts tijdelijk is? “ ‘Ik ben het brood dat eeuwig leven geeft’, zei Jezus, ‘Wie bij mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst hebben.’” (Joh. 6: 35)

Vragen ter overdenking of discussie:

Heb je rond Kerst meer aandacht voor ernstige noden van degenen om je heen – en in de hele wereld? Als dat zo is, hoe reageer je daar dan gewoonlijk op, wat probeer je eraan te doen?

Mr. Pryor roept ons op om niet aan te veel mensen te geven en ook niet aan te weinig. Ben je het daarmee eens? Hoe kun je dat volgens jou praktisch uitwerken?

Als er in de Bijbel een term zoals “broeder en zuster” staat, hoe leg je die dan uit, wat wordt ermee bedoeld?

Waarom  moet je aan mensen buiten het gezin van God vooral het Goede Nieuws van Jezus Christus doorgeven en daarnaast ook ingaan op hun fysieke noden? Ben je het eens met die zienswijze?

 

Als je een Bijbel hebt en meer over dit onderwerp wilt lezen, kijk dan eens naar de volgende gedeeltes: Spr. 3:27, 28, 11:24, 25, Joh. 4:10-13; 2 Kor. 9:6-14; Hebr. 2:10,11

 

Verzonden door CCA Nederland op zaterdag 9 maart 2019.

Share this:
Over de auteur
CCA Nederland